toneel

Lees hieronder fragmenten uit IN IJS, Monologen van afscheid, Als Vliegen en Onzichtbare inkt, alle teksten © Simone de Jong

Fragment monoloog uit IN IJS, 2012:

Jongen ijsbeert, probeert zijn hoofd te ordenen.

 Hoe het zit.

Dag 10 hier.

Weer naar het ijs.

IJzers: check.

Bepakking: check.

Water: check.

Lucht: check.

Ik volg het noordwesten, steady.

Alles perfect.

Ik zie het ijs al.

Machtig

Ice and rocks

Ice on the rocks

Het begint te waaien.

Lucht: uncheck.

Het sneeuwt.

Doorlopen?

Intuïtie: ja. Verstand: nee.

Ik loop door.

Ik kom dichterbij de kam.

Ik klim toch.

Het eerste traject.

Het sneeuwt. Het waait.

Het zicht is 5 meter.

Denk: ik ben hier alleen,

geen basiskamp.

Ik wil verder.

De diepte trekt nog.

Pas als ik verder klim, houdt het op.

Grip is goed.

Ik klim het tweede traject.

Zicht wordt beter.

Rechts links

1 lijn, heupbreedte

balans, strekken

tegen de wand, bijl,

driehoek,voeten

rechts links

balans, strek

het gaat super

het gaat vanzelf.

 

Kom op de tweede richel.

Loop iets verder,

naar het kleine plateau.

Er is een windvrije plek.

Schuilen?

Ik denk door,

ik moet door.

Loop weg, wil doorgaan,

aarzel.

Een schaduw.

Donkere bolling

in de hoek.

Ik loop ernaar toe.

Ronde vormen.

Iets wat tot mijn borstkas

komt. Rugzak?

Ik aarzel.

Schraap sneeuw weg.

Een hand. Ik zie een hand!

Een been. Alles hard.

Ik doe mijn rugzak af en

schraap als een gek de

sneeuw weg. Man.

Er zit een man. Een keiharde

bevroren man.

——————————————————————————–

Proloog uit Als Vliegen, voor het Laaks jongerentheater, 2010:

Als jij hier kon zijn, hierboven

Als jij even met mij mee kon vliegen

Met mij op kon stijgen

Dan zag je wat ik zag

Van de maan af gezien

zijn we allemaal even groot*

Dat zei iemand eens

En het is bijna waar

Bijna even groot

Weet je hoe klein je bent

Op de aarde?

Als je met mij mee kon vliegen

Dan nam ik je mee naar de woestijn

Daar ben je pas klein

Aan alle kanten zie je zand,

Alleen maar zand

Overal, waar je ook kijkt,

En verder alleen jij

Middenin die grote grote woestijn

1 mensje

Klein als een mier

En dan het geheim:

Het is fijn om klein te zijn

Misschien denk je

Ik moet stoer zijn

Ik moet sterk zijn

Ik moet belangrijk zijn

Ik moet knap zijn

Ik moet iets voorstellen

Ik moet rijk worden

Ik moet beroemd worden

Dan ben ik groot

Dan stel ik iets voor

Als iedereen mij ziet

Als iedereen weet

Die is belangrijk

Die kun je niet over het hoofd zien

Die is groot

Daarom wil ik je meenemen naar de woestijn

Dan merk je hoe groot alles al is

Alles om je heen

En hoe klein jij bent

En dat dat niet erg is

Juist fijn

© Simone de Jong 2010

————————————————————-

Uit Monologen van afscheid, Theaterboek, 2007:

De laatste

Vrouw tegen het publiek:

Ik doe het niet meer

ik krijg er kramp van

het zit niet in mijn genen.

Ja, jij zou het wel willen

maar ik doe het niet

ik pieker er niet over

geen haar op mijn hoofd.

‘Kijk niet zo sacherijnig’

‘Ach moppie, toe nou’

en dan toch

omdat ik er vanaf wil zijn

om wat ze zullen denken

om wat ze anders zeggen,

toch…

En dan maar volhouden,

van plastic word je!

Meteen spijt, want

dan komt de aap uit de mouw

moet er nog meer komen

gekir

of op het juiste moment neergeslagen ogen

huppelen…

nota bene, het liefst met een lollie!

Welke mán kent dat

van jongs af aan

overal waar de straat open ligt

of een huis wordt gebouwd?

Wie is eigenlijk op het idee gekomen

dat vrouwen horen te lachen?

Ik hou het voor gezien

ik kap ermee, ik stop.

Vandaag.

Dat wou ik even meedelen.

Het is nu officieel aangekondigd,

al is er niemand die het hoort.

Vanaf vandaag laat ik mijn

gezicht staan in zijn natuurlijke stand.

Ik trotseer alle bouwvakkers

ik ga niet meer reageren

ik ga niemand meer plezieren

de wereld is een serieuze zaak.

En grappen werken sterker

met een uitgestreken smoel.

Kijkt nu serieus, maar met pretogen.

Oké, nou, nog één dan-

hier.

Ze lacht naar het publiek en verlaat het toneel.

© Simone de Jong 2007

————————————————————

Uit Onzichtbare inkt, theaterscènes voor kinderen, Theaterboek, 2009:

Ontbering 2

Zof en Zorro zijn met een oefening bezig, bijvoorbeeld sluipen of opdrukken.

ZORRO Een held moet ontberingen doorstaan.

ZOF Wat is dat?

ZORRO Dat je het zwaar hebt, maar toch doorgaat.

ZOF Wanneer?

ZORRO Met de Elfstedentocht. Of in de oorlog.
Je bent arm, maar je houdt het toch vol.

ZOF Zonder eten?

ZORRO Of zonder huis.

ZOF Of in de kou.

ZORRO Heb jij het wel eens koud gehad?

ZOF Ja.

ZORRO Écht koud?

ZOF Ja.

ZORRO Vroor het? Had je te weinig kleren aan?

ZOF Ik had het koud van binnen.

ZORRO O. (weet niet wat ie verder moet
… zeggen)

ZOF Maar dat telt niet. Voor een held.

ZORRO Nee… (ze vechten weer verder)

Ziek 

Daan is alleen op zijn kamer.

DAAN Ik weet het meteen
als ik wakker word
’t is een goeie
of een slechte dag
als ie goed is
ben ik gewoon
ik loop
ik eet
ik lach
als ie slecht is
kan ik niks
mijn benen zakken door
mijn lijf moet liggen
het is pauze

rennen kan ik niet
maar van binnen kan ik alles

mijn hoofd springt
van de ideeën
mijn maag krimpt
van wat ik nog wil doen
mijn aders bonzen
want ze weten dat ik snel wil
mijn hart trilt
van opgewonden zijn
ik kan mij zo verheugen!

rennen kan ik niet
maar dit hoofd is van mij
en dit lijf hoort erbij
we doen wat we kunnen
we rennen van binnen

© Simone de Jong 2009